1. COLUMN, ANWB KAMPEER- EN CARAVAN KAMPIOEN

2. KINDERBOEK, DE EZEL VAN OS

3. BERNHARD, PRESENTATIE M-LAB

4. TONEEL, THE CHRIZ

5. GANDHI. DE MUSICAL

 

chriz.jpg

THE CHRIZ

Familievoorstelling. Alisia is beland in de wereld achter Kerstmis. Alle beelden uit de stal zijn tot leven gekomen. Alisia is onderweg van de stal naar de Chriz. Hieronder een fragment uit scene 7, in het huis van Maria.

GABRIËLA

Sorry dat ik te laat ben. Alles gaat mis dit jaar. De herders zijn dronken. De stal zit vol kalkoenen. En de kerstster heb ik uitgeleend aan een meisje en een blikopener. Gabriëla en Maria zoenen elkaar als bekenden, toch houdt Maria enige reserve.

GABRIËLA

Goed je weer te zien.

MARIA

Koffie?

GABRIËLA

Heerlijk.

Maria geeft Gabriëla een mok koffie die Gabriëla gelijk gebruikt om haar handen aan op te warmen.

MARIA

(aarzelt) Gabriëla… Ik heb besloten dat ik een jaartje oversla.

Gabriëla verslikt zich. Ze kijkt naar Edraële en Elemitiël of af te tasten wat er gebeurd is. Die maken met een gebaar duidelijk dat zij het ook even niet weten.

GABRIËLA

Je kunt een vraag van de Chriz niet zomaar weigeren.

MARIA

Ik trek het gewoon even niet meer.

GABRIËLA

(raakt in paniek, dringt aan) We liggen al achter op schema. Jij en Jozef móeten je spullen pakken.

Maria schudt haar hoofd van niet, ze is duidelijk aangeslagen.

GABRIËLA

Waar is Jozef?

MARIA

Iedereen laat Jozef vallen. Hij is er kapot van.

Gabriëla vermant zich en staat op om polshoogte te nemen.

GABRIËLA

Waar is hij?

MARIA

De grote stukken op bed. De andere op het nachtkastje. En de kleine stukjes bij elkaar in een vla-schaaltje.

Gabriëla gaat moedeloos weer zitten.

GABRIËLA

Het spijt me. (tegen de andere elfen) Kijk of er nog stukjes op de grond liggen.

De elfen gaan zoeken. Maria en Gabriëla blijven achter op het podium.
Stilte. Maria verzamelt moed om te zeggen wat ze wil zeggen. Gabriëla geeft haar de tijd.

MARIA

Het wordt me te veel, Gabriëla. Elk jaar kom ik met blaren op mijn voeten aan in die stal.

Elk jaar pers ik tussen het stro een baby eruit.

En elk jaar kijk ik dagenlang naar dat kindje in die kribbe.

Mijn kindje.

En het enige dat ik kan denken is…

Ik wil dat je gewoon gaat voetballen

Met autootjes spelen, gamen van mijn part…

Maar mijn kind gaat boeken lezen, mensen helpen…

En hij leest jongens die drie keer zo sterk zijn dan hij de les.

Hij is te goedgelovig, hij noemt iedereen ‘mijn vriend’.

Maar als het moeilijk wordt,

zeggen zijn beste vrienden dat ze hem niet kennen.

Elk jaar kijk ik dagenlang naar dat vreemde kind in die kribbe.

(met liefde én pijn) Mijn kind.

En ik weet wat er gaat komen.

Leg mij maar eens uit waarom kerstmis een feestje is.

Stilte. De vrouwen zitten zwijgend naast elkaar.
Gabriëla heeft te doen met Maria, ze laat merken dat ze het probeert te begrijpen.
Er klinkt geluid van een gure wind. Er waait sneeuw naar binnen.
Met de sneeuw zweeft de kerstster naar binnen.
Die ploft uitgeput op de grond.

GABRIËLA

Mijn ster! Je bent helemaal bevroren. Waar is het meisje?

De ster mompelt wat onverstaanbaars. Gabriëla kijkt achterom.
Opnieuw klinkt het geluid van wind en waait er sneeuw naar binnen.
Alisia komt binnen, gevolgd door Blikopener, kalkoen Turkie en het schaapje Bebe.
Ze zijn verkleumd.

GABRIËLA

Alisia! Dit is het werk van Delilah, dat kan niet anders. (tegen ster) Goed dat je ze hier naartoe hebt gebracht.

Alisia staart naar Maria.

ALISIA

U bent Maria,…

Alisia knielt. Blikopener, Turkie en Bebe volgen haar voorbeeld.

ALISIA

Ik ken u uit het stalletje. Wij gaan nooit naar de kerk. Maar met kerstmis gaan we altijd bij het stalletje zitten. Naast de boom. Met warme chocomel. En kerstbrood. En eerst lazen we altijd het kerstverhaal. Maar nu niet meer. Want we hebben alleen een kinderboek.

MARIA

(lief) Kom, ga lekker zitten.

ALISIA

(gaat staan) Sorry, ik ben Alisia. Ik ben van… dáár.

Alisia schudt Maria de hand, Blikopener, Bebe en Turkie volgen haar voorbeeld.

BLIKOPENER

Blikopener, ik ben overbodig.

BEBE

Bebe, aangenaam, ik ben anders.

TURKIE

Turkie, ik ben te mager.

MARIA

(lacht) Ga zitten. Ik ga soep opwarmen.

GABRIËLA

Laat mij de soep doen. Dan kun jij ondertussen je spullen pak…(ken.)

MARIA

Ik ga niet. Ik ga niet zonder Jozef.

Maria zet een pan soep op.

MARIA

En dit jaar wil ik een meisje.

Een meisje zoals zij. (ze doelt op Alisia)

ALISIA

Het spijt me. Het spijt me dat we hier zomaar binnenvallen. Ik wil hier helemaal niet zijn. Ik wil naar huis, kerstmis vieren. Maar Blikopener gaf me een cadeau en toen ik keek wat het was, begon het te sneeuwen en opeens stonden we hier en niemand kan me vertellen hoe ik terugkom.

MARIA

Dus alles is de schuld van Blikopener?

ALISIA

Ja!

Blikopener is verontwaardigd. Alisia voelt zich ongemakkelijk.

ALISIA

Nee. Eigenlijk is het de schuld van de Garde. Hij zei dat ik naar de Chriz moest.

MARIA

Omdat?

ALISIA

Kerstmis slaat nergens op. Iedereen is wekenlang aan het sjouwen met kerstbomen en cadeaus en boodschappen voor wat?

MARIA

Het is gezellig. Mensen nemen de tijd voor elkaar.

ALISIA

Nee! Iedereen is alleen maar met zichzelf bezig.

(opnieuw kwaad) Ik wilde gewoon een dagje schaatsen!

Stilte. Alisia realiseert zich dat ze ook alleen aan zichzelf dacht. Ze schaamt zich.

MARIA

En daarom ben je hier?

ALISIA

Het spijt me echt dat ik u lastig val precies op het moment dat de engelen… (u vragen om de moeder van Jezus te zijn)

ALISIA

vEigenlijk geloof ik helemaal niet in engelen… en elfen en in levende blikopeners en eigenwijze schapen en betweterige kalkoenen en al helemaal niet in God en in Jezus en in… (kijkt naar Maria, stopt plotseling met praten)

MARIA

Mij.

Stilte. Alisia voelt zich betrapt.

ALISIA

(schaamt zich) Ja. Ik bedoel: nee. Ik bedoel wat u bedoelt.

Maria is even geraakt, zoekt met haar ogen steun bij Gabriëla, vermant zich dan.

MARIA

Lusten jullie tomatensoep?

BLIKOPENER

(glundert) Uit blik?

MARIA

Nee, vers, het spijt me.

BEBE

Graag mevrouw.

Gabriëla deelt de soep uit.

MARIA

(lief, geduldig) Waar geloof je wel in?

ALISIA

(aarzelt) Ik geloof alleen in mezelf. Denk ik.

MARIA

Maar?

ALISIA

Nu ben ik hier. En alle kalkoenen zijn op de vlucht voor de boze fee.

En de herders zijn de weg kwijt. En de schapen hebben al dagen niet gegeten.

En ik heb ze allemaal beloofd om te kijken of ik iets kan doen.

En zij…

Alisia kijkt naar Blikopener, Turkie en Bebe.

ALISIA

Zij geloven in mij. Dus ik kan niet zomaar terug. Ik wil niet zomaar terug.

Ik móet ze helpen. Snapt u?

Stilte. Maria denkt na over haar eigen rol in het verhaal.

MARIA

Ja. Dat snap ik. Dat snap ik heel goed.

BLIKOPENER

De soep is heerlijk, mevrouw.

MARIA

Willen jullie nog een beetje?

ALISIA, TURKIE, BEBE

(tegelijk, door elkaar) Graag, mevrouw!

BLIKOPENER

(leest ze de les)Er zijn nog meer gasten.

Maria schept zelf de mokken opnieuw vol.

MARIA

Er is genoeg. Die truc heb ik van mijn zoon geleerd.

Maria geeft het gezelschap soep.
Stilte. Ze eten. Alisia kijkt om zich heen, zoekt.

ALISIA

Waar is Jozef?

Maria betrekt, wordt weer verdrietig.

MARIA

Gebroken. Je vader liet hem op de grond vallen.

Alisia is in de war. Dan snapt ze dat Maria het levende beeld uit de stal is.
Blikopener, Turkie, Bebe en de engelen kijken Alisia kritisch aan.

ALISIA

(tegen allemaal) Het spijt me. Het spijt me echt. Hij was druk en… Ik weet zeker dat hij hem zal lijmen. (tegen Maria) En anders lijm ik hem. Zodra ik thuis ben.

Alisia realiseert zich opeens dat thuis nog heel ver weg is.
En dat ze nog steeds niet weet hoe ze er moet komen.

ALISIA

(tegen Maria) Ik beloof het.

MARIA

(aarzelt) Ik wil je een cadeautje geven. Een bijzonder cadeautje.

Maria staat op om het cadeautje te pakken.

GABRIËLA

Maria… Niet doen. Dit heb je zelf nodig.

MARIA

(geïrriteerd) Ik doe al tweeduizend jaar elk jaar hetzelfde. Dat kan ik inmiddels ook wel zonder jullie cadeautje.

Maria pakt het cadeautje.
Alisia knielt opnieuw voor Maria.
Maria knielt neer bij Alisia.

MARIA

Kniel niet voor mij maar voor jezelf. En geef je leven aan de idealen waar jij in gelooft.

ALISIA

(aarzelt, schaamt zich) Ik weet niet waar ik in geloof.

MARIA

(lief, rustig) Dat komt wel.

Maria geeft Alisia het cadeautje.

MARIA

Alsjeblieft.

ALISIA

Een spiegeltje? Het is prachtig.

MARIA

Het is gemaakt door de elfen.

ALISIA

Mag ik… kan ik gewoon… (kijken?)

MARIA

Natuurlijk.

Alisia kijkt.

MARIA

Wat zie je?

ALISIA

(lacht) Mezelf natuurlijk.

MARIA

Kijk nog eens goed.

Alisia kijkt nog een keer. Eerst voorzichtig. Dan schiet in de lach omdat ze opnieuw zichzelf ziet. Daarna wordt ze bezorgd. Hierna slaat ze beschaamd haar ogen neer. Maria wacht. Alisia kijkt nog een keer, nu rustig en open.

MARIA

Er hoort een rijmpje bij.

(zingt zacht:)

Weet je niet meer wie je bent

Of je de juiste kant op rent

Dit cadeautje leert je dat je

hart al lang het antwoord kent

Alisia laat het spiegeltje rustig zakken.

ALISIA

Ik weet niet goed… (ze stopt) (…wat ik moet zeggen.)

MARIA

Help je vrienden. Ga naar huis. En zet mijn man weer in elkaar. Want ik heb heel hard iemand nodig die af en toe een arm om me heen slaat.

Maria gaat staan en helpt daarna Alisia overeind.

ALISIA

Dat doe ik. Ik beloof het.

Maria en Alisia omhelzen elkaar.

MARIA

Ik moet opschieten. Ik moet m’n spullen pakken. Goede reis.

ALISIA

U ook.

De elfen beginnen Maria te helpen.

ALISIA

(energiek) We gaan.

TURKIE

(klaagt) M’n veren zijn nog nat.

BEBE

Mijn krullen zijn uitgezakt.

BLIKOPENER

(kijkt kritisch) Inderdaad, ik keur jullie nog geen blik waardig.

(ongeduldig) Lopen! We hebben geen tijd te verliezen.

Alisia is blij dat Blikopener haar helpt. Ze kijkt in het spiegeltje. Dan begint ze te zingen. Het begint weer te sneeuwen. Alisia en haar vrienden lopen af.

ALISIA

(zingt)

Weet je niet meer wie je bent

TURKIE

Of je de juiste kant op rent

ALISIA, TURKIE, BEBE, BLIKOPENER

Dit cadeautje leert je dat je

hart al lang het antwoord kent.